POSITIEVE KANT BLIJVEN ZIEN

Sjaan van Leur

Sjaan heeft een tengere gestalte en oogt breekbaar. Met haar halflange grijze haar en vrolijke blik ziet ze er jonger uit dan 87 jaar. Ze vertelt er enthousiast op los.

Over haar eerste man bijvoorbeeld, die een sadistische inborst bleek te hebben. Alsof het haar nog steeds verrast, stelt ze vast: ‘En toch hield je er van. Gek hè?’ Met haar tweede man trof ze het beter. Vijfentwintig jaar waren ze getrouwd, maar hij overleed op 54-jarige leeftijd. Ze was anderhalf jaar alleen en kwam een andere man tegen. Hij was zes jaar jonger. Maar het bleek een alcoholist.
Hij is inmiddels ook overleden.
Nee, in de liefde heeft ze het niet zo getroffen. Ze had het dan ook wel gehad met de mannen.

Ze zit nu in een verzorgingstehuis in Crooswijk. Daar heeft ze het best naar haar zin. Vervelen doet ze zich niet zo snel. Bij Annie’s eetclub komt ze een keer per week. Ze hoeft niet zo nodig iedere dag op pad: ‘Je merkt wel dat je ouder wordt.’

In 1928 werd ze 14 weken te vroeg geboren. Ze woog een kilo, maar overleefde op het nippertje. Ze groeide op in de Eendrachtstraat. Het gezin kende veel armoede. Haar vader en moeder waren in 1928 getrouwd. Direct daarna kwam de crisis en vader zat meteen zonder werk. Het gezin moest het doen met voedsel- en kledingkaarten.

Ze was twaalf jaar toen het bombardement plaatsvond. Het gezin moest vluchten. Haar vader zat in militaire dienst, maar samen met haar oma en moeder gingen ze naar de Mathenesserbrug. Ze herinnert zich dat haar oma (‘opoe noemden we haar altijd’) een kooitje bij zich had met een kanariepiet: ‘die vogel zat de hele tijd maar te fluiten!’ Achteraf gezien
leek het net een film.
Bang was ze wel…

Tijdens de hongerwinter ging ze bij de boeren langs. Ze kwamen bij een veenboer in Staphorsterveld. ‘Een dominee in Hasselt zorgde dat we daar bij boerenmensen terecht konden. Alles stond onder water. Ze hadden alles onder laten lopen, die Duitsers. Met een roeibootje moesten we er naar toe.’ Vier maanden bleef ze daar.

Na de oorlog heeft ze de familie nog wel eens opgezocht. Een keer met de fiets en een keer met de trein. ‘Ja, ze zijn goed voor me geweest, dat zeker.’
Omdat haar vader in de Noordoostpolder werkte, kon hij aan tarwe komen waar haar moeder tarwepap van maakte of pannenkoeken. Ook bracht hij in het weekeind bloedworst mee uit Zwartsluis. Wat dat betreft hadden ze het thuis nog zo slecht niet: ‘Anderen wel hoor, die hadden het soms heel slecht.’

‘Maar de mensen waren anders toen’, vindt Sjaan. ‘Ik vind de mensen nu zo hard. Ze denken alleen maar aan zichzelf. Als je meelij hebt, zeggen ze “joh, laat gaan!” Nou, dan weet ik genoeg…Of ze zeggen: “Ik heb niemand nodig”. Maar je hebt toch altijd iemand nodig?’

Ze heeft geen kinderen. In 1953 kreeg ze een miskraam: ‘Ja, ik denk er wel eens aan hoor. Ik hou wel van kinderen…Maar ja, stel je voor dat je kind ook een sadist is. Dat zit er toch in. Had je ook weer verdriet gehad…Misschien ben ik wel ergens voor bespaard…Dat denk ik dan maar.’

En dat is misschien wel de meest kenmerkende eigenschap van Sjaan: altijd de positieve kant van de dingen proberen te zien. Of zoals ze het zelf zegt: ‘Het leven is een lach en een traan. Dat is toch zo? Je moet er uiteindelijk zelf maar iets van maken.’

lepel2